Koppensnellen aan de zuidkust

In 1957 werd langs de Casuarinenkust het eerste contact gelegd door een medische patrouille. De honderd kilometer lange kuststrook met zijn achterland stond indertijd bekend als een van de meest wilde gebieden van Nieuw-Guinea. De arts Willem Visser maakte deel uit van de expeditie, die niet geheel zonder gevaar was. “Het is bij dit soort werk, waarbij een bevolkingsgroep van koppensnellers en menseneters voor het eerst met blanken en met een groot vaartuig kennismaakt, nimmer bekend, of er pijlen zullen gaan snorren of dat sago wordt aangeboden als teken van vriendschap. Het is altijd oppassen,” schreef hij indertijd in een persoonlijk verslag. De informatie in dit artikel is geheel afkomstig uit zijn verslag. 

 

Inhoud
1. Land in ontwikkeling
2. De sneltocht en rituele slachting
3. In Atsj woont een gevreesde snelgroep
4. Aankomst in Atsj
5. Cook en zijn contact met de wilde bewoners
6. Vredesfeest in Atsj
7. Mislukte moordpoging
8. Links
9. Bronnen 

1. Land in ontwikkeling
“Meestal stelt men zich Nieuw-Guinea voor als een barbaars primitief, ongezond land, waar in de donkere oerwouden barbaarse wilden zich onledig houden met het verorberen van elkaar. Men stelt zich voor dat sporadisch een bestuursambtenaar deze oerwouden intrekt, op romantische manier Indiaantje speelt en probeert in contact te komen met de boze wilden. Dit is niet geheel de juiste voorstelling van zaken. Nieuw-Guinea is bezig een modern geadministreerd land te worden. Het is een land in ontwikkeling, waar de weerbarstige natuur hoge eisen stelt aan het uithoudingsvermogen van zijn ambtenaren. Er zijn grote delen waar de Papua volledig ingeschakeld is in het ontwikkelingsproces, moderne machines bedient en als bijvoorbeeld mantri in verschillende takken van dienst zijn volk dient. Er zijn ook delen waar het inzicht in de politieke problemen begint te ontstaan, maar ook delen die nog ‘wit’ op de kaart zijn. Hier is de Papua nog de traditionele wilde, die koppensnelt, kannibalisme pleegt en zich in een toestand van constante angst bevindt. Angst voor de naaste en angst voor de kwade geesten. Geen moment is men daar zijn leven zeker en er bestaan de meest barbaarse en primitieve afweerreacties tegen al het onbekende”, zo vermeldt Willem Visser. 

2. De sneltocht en rituele slachting
“ ’s Nachts wordt het vijandige dorp omsingeld. Alle vluchtwegen worden afgesneden, tegen zonsopgang begint de aanval. De snelhoorns, trompetten van bamboe, wekken de slachtoffers, die dan vaak eerst verlamd zijn van schrik en een goed heenkomen proberen te zoeken.
Hierbij lopen ze dan meestal in de armen van de snellende partij. Vooral vrouwen en kinderen zijn makkelijke slachtoffers. Op gruwelijke wijze worden de gevangenen afgemaakt. Dan komt het rituele slachten. Met een bamboemesje worden de spieren en de pezen van de nek doorgesneden. De wervelkolom wordt stuk gedraaid. De rompen worden langszij opengesneden. Na het verwijderen van de ingewanden, het afhakken van armen en benen, wordt de romp in de prauwen geladen. In het dorp wachten de vrouwen. Van verre al kunnen ze horen of de tocht geslaagd is geweest. Die nacht is er feest in het dorp. Het vlees wordt geroosterd en gegeten. De koppen worden naar het mannenhuis gebracht en daar bewerkt. Met een speciaal daarvoor bestemde stenen beitel hakt men een gat in de schedel. De hersenen worden zo verwijderd en ook de onderkaak verwijdert men. De tong wordt geroosterd en gegeten. Tot zonsopgang is het dan feest, er wordt getrommeld en gedanst. Het monotone gezang is tot ver in de omgeving te horen. Het nachtelijk oerwoud sluit zich om de feestvierende barbaren. Het getsjirp van krekels zwelt aan en mengt zich met het geluid van de mannenstemmen. Een oermelodie, uit het stenen tijdperk.” 

3. In Atsj woont een gevreesde snelgroep 
Op de kaart van de Zuid Nieuw-Guinea was er in de jaren vijftig nog een grote witte plek: de Casuarinenkust. Dit verhaal handelt over de eerste geslaagde pogingen om contact met de stammen in dit gebied te leggen. De regering wilde een vorm van bestuur over het gebied brengen en daarvoor werd een strategie uitgestippeld. Besloten werd de eerste contactpoging met deze mensen te laten doen door een medische patrouille. "Via de Mariannestraat zullen we eerst naar Kepi varen, de hoofdplaats van de onderafdeling Mappi, vroeger een wild en oorlogzuchtig volk. Het is voornamelijk aan de paters Verschueren en Meuwese te danken dat deze streek is gepacificeerd en tot ontwikkeling gaat komen. In Kepi zijn we betrekkelijk dicht bij de Casuarinenkust, dat wil zeggen hemelsbreed, maar over land is de tocht moeilijk te maken. Op advies van pater Meuwese besluiten we de Wildemanrivier op te varen en vervolgens over de Eilandenrivier naar Atsj te gaan. Deze Asmatkampong ligt op de grens van de sinds kort opgerichte bestuurspost Agats en de Casuarinenkust. Atsj is een grote kampong. Meer dan duizend mensen wonen hier samen en vormen een tot ver in de omtrek gevreesde snelgroep. Kinderen en vrouwen worden evenzeer vermoord als mannen en wel bij voorkeur, want zij verdedigen zich amper.”
 

4. Aankomst in Atsj
Atsj grenst aan het Casuarinenkustgebied. Pater Van Kessel is hier gestationeerd en de bewoners van Atsj zijn reeds enigszins gewend aan contact met Europeanen. "Ze zijn blij en opgewonden over onze komst. Immers, de komst van een boot betekent meestal weer nieuwe tabak, misschien zelfs wel een mes.
In de kampong woont nu weliswaar een missionaris temidden van deze mensen, maar daarmee is voorlopig toch nog niets aan hun wildheid veranderd. Het is nog niet meer dan een jaar geleden dat tientallen prauwen vol met beschilderde krijgers de Eilandenrivier zijn opgetrokken om een grote sneltocht te ondernemen bij de bovenstrooms wonende buren. Meer dan honderd koppen werden mee teruggebracht en er is dagenlang mensenvlees gegeten. Atsj is gebouwd op de rechterrivieroever. Honderden Papuahutten staan in een lange rij langs het water. De grond is veenachtig en zacht. De wanden van de huisjes zijn gemaakt van gaba-gaba, de nerf van sagopalm, de daken bestaan uit over elkaar gelegde palmbladeren, atap. Alle hutten staan op palen. De meeste huizen van de Casuarinenkust hebben, omdat ze gebouwd zijn door een volk dat met moordpartijen rekening moet houden, een luchtuitgang. Via deze uitgang duikt men meteen het bos in. Bij een grote snelpartij ontsnappen echter niet veel mensen omdat de kampong omsingeld is en ook in het bos dus de vijand loert.” 

5. Cook en zijn contact met de wilde bewoners
“We maken een exploratietocht naar de bovenloop van de Fajitirivier. Bettekam, het opperhoofd van Basiem, de machtigste kampong van de Fajitrivier, vergezelt ons. Enkele maanden voor ons bezoek had hij zijn eerste ontmoeting met Europeanen en dit contact is hem goed bevallen.
We voelen allen de spanning die wordt opgewekt door het betreden van onbekend gebied. Geen enkele Europeaan is nog tot hier doorgedrongen. Soms worden we met pijl en boog opgewacht, maar nergens komt het tot ernstige conflicten. Vervolgens gaan we naar de monding van de Cookrivier. James Cook ging hier in 1770 aan land en verloor tijdens een picknick aan het strand meer dan tien van zijn mensen. Zijn gezelschap werd aangevallen door een groep naakte wilden, in het bezit van speren met weerhaken en bamboekokers waaruit kalk gegooid werd. Het volgende contact met de wilde bewoners werd in 1948 gemaakt door de paters Verschueren en Meuwese. Ook deze paters zagen naakte wilden, in het bezit van vervaarlijk uitziende speren. De paters maakten kennis met de agressiviteit van deze mensen en moesten terugkeren naar de bovenloop van de Cookrivier, waar een vreedzamer bevolking woonde. Deze bevolking vierde feest bij de terugkomst van beide paters, want het kwam namelijk niet vaak voor dat iemand heelhuids terugkeerde van een tocht naar de monding van de rivier.”  

6. Vredesfeest in Atsj 
Bettekam is weinig positief in zijn waardering voor de stamgenoten aan de Cookbaai, de Aorket. Hij raadt ons stellig af om deze mensen, de vermoedelijke nazaten van Cooks belagers, te gaan bezoeken. Hij vertrouwt ons toe dat de mensen uit Aorket enkele maanden geleden gesneld hebben in Basiem. Natuurlijk heeft Basiem dat niet op zich laten zitten en heeft koppen teruggehaald in Aorket.
Bettekam zal dus zo verstandig zijn aan boord te blijven, want de grond is hem hier werkelijk te heet onder de voeten. Na enkele uren varen komt de kampong in zicht en ontwaren we op het strand een wildwuivende menigte. "Nu maken zich van de oever enkele prauwen los; nog meer prauwen worden in zee geduwd en enkele minuten later is onze boot omringd door een groot aantal boomkano’s. Opgewonden gillende mannen bedelven ons onder de etnografica, prachtige trommels worden ons aangeboden, schilden, speren, stenen bijlen etc. Dan zien we plotseling een man met een van onze messen in zijn handen, een ander heeft een bijl te pakken en een derde een bordje en dan is ons duidelijk dat dit een ruilhandel is. Klaarblijkelijk hebben ze van buurgroepen van onze komst en rijkdommen gehoord. Bettekam, die zich verdekt heeft opgesteld, is ook geïmponeerd door hun vrije optreden, waar geen angst uit spreekt. Hij komt tevoorschijn en wordt onmiddellijk herkend. Er ontspint zich een geanimeerd gesprek, na afloop waarvan Bettekam ons meedeelt dat hij die nacht in de kampong zal doorbrengen. Er zal namelijk een vredesfeest gehouden worden. Inderdaad horen wij, die aan boord slapen, tot diep in de nacht de trommels, ook wordt er gezongen. Ja, we zijn wel een beetje onder de indruk van ons paciferend vermogen.”
 

7. Mislukte moordpoging
“De volgende morgen om vijf uur worden we wakker gemaakt door een kletsnatte Bettekam. “Ja, tuan” zegt hij, “Ik ben maar gaan zwemmen.” Stomverbaasd vragen we naar het waarom en dan krijgen we Bettekams verhaal. Hij was de vorige avond aan land gegaan en werd bijzonder vriendelijk ontvangen. Maar gaandeweg werd het Bettekam duidelijk dat deze mensen niet die vredelievende bedoelingen hadden die ze ons voorspiegelden. "Mannen gingen opscheppen over hun oorlogsdaden, de vrouwen kwamen en jutten hun mannen op.
En Bettekam begreep het: hier werd een nieuwe sneltocht voorbereid en zijn eigen positie was precair. De boot kon hij niet bereiken. Ze zouden hem kunnen afmaken zonder dat wij er iets van zouden merken. Hij was doodsbang. Hem werd een leeg huis aangeboden om in te slapen, maar hij bleef bij zijn vuurtje zitten. Hij zou niet gaan slapen, want er kon van alles gebeuren die nacht. Terwijl Bettekam zo in zijn vuurtje zat te staren, hoorde hij achter zich iets ritselen. Vliegensvlug draaide hij zich om en zag drie mensen in zijn hut staan. Twee mannen hadden hun bogen gespannen. De derde hield een beenmes in de hand. Ze verwachtten Bettekam in zijn slaap te kunnen vermoorden en nu sliep hij niet. Daardoor schrokken ze. De man met het mes nam de benen en ook de anderen maakten dat ze wegkwamen. De rest van de nacht bleef Bettekam bij zijn vuurtje zitten en hield steeds de deuropening in de gaten. Bij het eerste daglicht nam hij zijn kans waar, rende naar zee en zwom naar de boot. Ontdaan vertelde hij ons dit verhaal. Wij zijn verbaasd en ontzet dat dit alles zich als het ware onder onze ogen heeft afgespeeld. Die dag en ook de volgende dag zagen we geen spoor meer van de mensen van Aorket. Er is nu wel enige twijfel gerezen aan de doeltreffendheid van onze pacificatietechniek.” 

8. Links  
- Zie ook:
Ooggetuige van een koppensnelpartij
- Een film van casuarinekustgebied van Jean Pierre Dutilleux  

9. Bronnen
- W.M. Visser M.D., Reizen in Zuid-Nieuw Guinea in de vijftiger jaren (privé)